Fragment

Drie dagen nadat vader had verteld dat we een onderduiker in huis hadden, werden we bij het krieken van de dag opgeschrikt door een paar harde, doffe klappen, gevolgd door het gerinkel van glas. Ik was op slag wakker en hoorde een Duitse stem bevelen schreeuwen boven het geluid uit van een stationair draaiende vrachtwagenmotor. Huub, die onder het slaapkamerraam lag, maakte het verduisteringsdoek van onderen los om te zien wat er aan de hand was. Vlug trok hij zijn hoofd terug, keek mij aan met een blik alsof ons huis in brand stond, en zei met een van angst verwrongen stem: ‘Godverdomme! De moffen!’
Hij had het nog niet gezegd of we hoorden de deur boven aan de winkeltrap openslaan. Er werd van alles geschreeuwd, onverstaanbare woorden, vertrapt door harde voetstappen die zich in een mum van tijd vermenigvuldigden. Ik hield mijn adem in en durfde me niet te verroeren. Het hart klopte in mijn keel.
‘Ze komen voor oom Walter!’, fluisterde Huub, onregelmatig ademend. Ik hoorde de harde voetstappen de trap op lopen. Elke stap leek mijn hartslag verder op te voeren en mijn keel meer en meer dicht te knijpen. Met een klap sloeg onze slaapkamerdeur open en het volgende moment keek ik recht in de loop van een geweer. Op de achtergrond klonk het geluid van krakend hout.
Steh auf!’, schreeuwde een bleek en pafferig gezicht mij van onder zijn helm toe. En tegen Huub: ‘Und du! ’Rausch!’

Volgende fragment