Fragment

Een keer, toen we op de terugweg van een levering bij de Theetuin zaten voor een kop koffie (ik vroeg me niet eens af of we er wel geld voor hadden, ik was allang blij dat we er even uit waren), vroeg ik pa hoe het nu zat met die onderduiker. Minzaam keek hij mij aan, en zweeg. Aan zijn peinzende blik zag ik dat het geen doodzwijgen van de vraag was, maar dat hij nadacht over een passend antwoord.
‘Weet je Victor,’ zei hij ten slotte, ‘in het leven gebeuren dingen die niet logisch of verklaarbaar zijn. Soms gebeuren er dingen buiten je om, waar je geen weet van hebt of waar je geen vat op hebt. Dan zul je anderen moeten vertrouwen, óp anderen moeten vertrouwen.’
Waarschijnlijk zag hij aan mijn gezicht dat ik hem niet begreep, want zonder iets te vragen ging hij verder.
‘Stel dat ik zou zeggen: er was geen onderduiker, nooit geweest ook. Dan zou iedereen me onmiddellijk geloven. Terwijl niemand mij lijkt te geloven wanneer ik beweer dat er wél een onderduiker is geweest.’
‘Omdat niemand hem gezien heeft,’ zei ik bijna fluisterend.
‘Precies, je slaat de spijker op zijn kop. Eerst zien, dan geloven, zo zit de mens in elkaar. Alleen in God is men bereid ongezien te geloven, maar ja, die zat niet bij ons op zolder.’
Op zijn laatste woorden volgde een zucht. Een zucht die leek uit te drukken dat de mensheid, die hij zojuist de maat had genomen, er niet best voor stond. Of misschien drukte die zucht nog wel meer zijn teleurstelling uit dat hij van diezelfde mensheid deel uitmaakte en er van afhankelijk was. Somber staarde hij voor zich uit.