Nijmegen

Als ik dit schrijf, ben ik in Nijmegen. Vandaag is het precies 75 jaar geleden dat de stad door geallieerde bommenwerpers werd gebombardeerd. Net als Rotterdam is een deel van de binnenstad platgegooid, al zit tussen beide tragedies een tijdspanne van ruim vier jaar. Belangrijkste verschil: bijna niemand weet van het bombardement op Nijmegen af, terwijl er meer slachtoffers zijn gevallen dan in Rotterdam. Natuurlijk, de overgave die volgde op het bombardement van Rotterdam markeerde het begin van WOII in ons land, en is zodoende een belangrijk ijkpunt voor ons collectieve geheugen.  Voor mij komt Zadkine daar nog bij: geen herinnering zonder een beeld.

Laurens ten Dam groette mij

Vandaag gingen wij voor het eerst dit jaar met de racefiets de weg op, na twee maanden conditietraining op de tacx, in de garage – geestdodend, maar draaglijk gemaakt met de muziek van wijlen de heer L. Cohen. Met de opwinding van koeien die voor het eerst na de winter de wei in mogen, reden wij naar het IJsselmeer. Heerlijk, was het.
Op de terugweg passeerde ons in tegengestelde richting een renner, die ons vriendelijk toeknikte: wielrenners onder elkaar. Het duurde even voor het tot mij doordrong dat het onze beroemde plaatsgenoot Laurens ten Dam was. Ave, Laurentius!
Het seizoen is begonnen.

Wielerdagboek

Vandaag reed ik in de Eilandspolder, de mooiste polder van Noord-Holland, die ik voornamelijk van het schaatsen ken. Tussen Driehuizen en West-Graftdijk, op een dijk langs een vaart, zag ik in de verte een graafmachine, bezig met graafwerkzaamheden ten behoeve van de dijk. De machine blokkeerde de doorgang, maar toen ik op ongeveer honderd meter was genaderd, reed hij achteruit de berm in, zijn graafarm in gebogen stand hoog boven het wegdek. Had hij mij soms gezien? Ik minderde vaart en probeerde oogcontact met de machinist te maken. Toen ik zag dat hij mij zag, zwaaide ik met mijn hand, waarna hij zijn hoofd uit de cabine stak en riep: ‘Een ereboog!’ Lachend bedankte ik hem en reed verder. Mooier dan dit wordt het niet.

Nico

Onze dochter is onlangs begonnen op de middelbare school, dezelfde school als waar ik op heb gezeten. Denkend aan die tijd, herinner ik mij Nico; een grote, sterke jongen van een dorp in de omgeving van Alkmaar. Hij leek op de jonge Bono, uit diens tijd van Pride: lang haar, hoekig gezicht, oorringetje. Nico was blijven zitten en dus een jaar ouder dan ik. Stiekem bewonderde ik hem om zijn attitude jegens de leraren – niet brutaal of onbeschoft, maar vrij en direct.
Nico had lak aan conventies. Hij droeg schaatsschoenen, dat wil zeggen noren, de ijzers eronder vandaan gesloopt. Of suède laarzen waar hij een stuk tapijt onder had gespijkerd, omdat de zolen waren versleten. Hij rookte shag, maar toen wij eens met biologie in een apparaat moesten blazen om onze longinhoud te testen, bleek die van hem een stuk groter te zijn dan die van mij, terwijl ik aan sport deed en hij niet. Ik vermoedde dat het apparaat niet deugde.
Ik groet hem. Met het publiceren van deze post, werp ik mijn gefleste groet in de zee van het internet. Misschien wordt het opgevist, maar misschien ook niet.