Fragment

Gijs en Titus lopen door naar de plek die als de feitelijke Noordkaap wordt beschouwd; een aan de ijszee gelegen rotswand, waarop de mens zich groots en nietig tegelijk voelt. Machtig het uitzicht, maar hekjes moeten de bezoekers behoeden voor een fatale valpartij. Om de kaap als toeristische pleisterplek te markeren staat een meter of tien van de rand een monument: een manshoge globe op een statief, waarbij de aarde door meridianen en keerkringen wordt gesuggereerd. De wereld bol, maar hol – een eitje voor Atlas.
‘Bezie de schoonheid van het zeelandschap,’ zegt Gijs, nadat ze een tijdje zwijgend het Arctische uitzicht hebben bewonderd. ‘Begrijp je nu waarom het vak van zeebioloog zo mooi is?’
‘Dank je de koekoek. Ik had je wel eens willen spreken na maandenlange onderzoeken zonder enig resultaat.’
‘Ook dan! Met je poten in het zeewater staan, is toch vele malen mooier dan voor een klas met ongeïnteresseerde tieners? Maar excuseer mij, ik voel nu toch ook enige aandrang.’
Als Titus alleen is, overspoelt hem een gevoel van onrust; de oneindige zee, het eeuwige licht, de onbegrensdheid van alles en alles. En toch is wat hij ziet einmahlig, elke dag weer, elk uur, elk moment, elke nanoseconde. Alles stroomt, alles is in beweging. Niets is onveranderlijk.
‘Gutentag, Herr Westerling.’
Die stem! Die wat lijzige intonatie … Met een ruk draait Titus zich om.