Fragment

Twintig minuten later bereikt hij de uitkijktoren, een houten hok op palen met een van stammetjes getimmerde ladder ertegenaan. Voordat hij de toren beklimt, staat hij even stil, leunend tegen een van de palen. Zijn woede heeft plaatsgemaakt voor pijn: zijn rechterbeen doet zeer, het glooiende, ongelijke bospad is geen pretje met dat manke been. Hij schudt zijn been los en klimt langzaam naar boven. In het hokje gaat hij op de grond zitten, drinkt thee uit zijn veldfles, eet een stuk brood. Het gemiste schot, de nederlaag, het onopgevolgde bevel – hij heeft er de pest in. Vooral het onopgevolgde bevel zit hem dwars; hij is geen muiter, geen rebel, geen weigeraar. Verbeten neemt hij nog een stuk brood. Hij zal de zwijnen doden, dat moet, dat is zijn opdracht. Die völlige Ausradierung dieser Tiere! Nu de pijn in zijn been is weggetrokken, voelt hij de woede weer opkomen. Zij zullen hem niet nogmaals ontglippen, al moet hij de dieren stuk voor stuk met een mes de keel afsnijden. Met trillende kaken maalt hij een nieuwe hap brood fijn.
Dan hoort hij iets. Hij kijkt door het gat en ziet een hert staan, een meter of veertig van de toren vandaan. Het staat stil, graast wat, kijkt om zich heen. Weer een beest! Zij tergen hem, zij proberen hem uit, maken hem gek. ‘Schiet die beesten toch af met hagel!’ roept Von Clausewitz in zijn oor. Het hert graast verder, ga weg, ga toch weg! Dan pakt hij het hagelgeweer, legt aan en schiet het nietsvermoedende dier dood.
Als Wolfgang bij het dode hert staat, ziet hij de bloedende wonden in de nek en in de schoftstreek van het dier. Wat heeft hem bezield? Hij moet everzwijnen doden, geen herten. Hij begrijpt het niet, bewogen door een bloeddorst die hij niet van zichzelf kent.
Het begint te regenen. Eerst zacht, maar al gauw komt de regen gutsend naar beneden. Met een miserabel gevoel loopt Wolfgang terug naar het landhuis. Een dag om je nooit te herinneren.

Volgende fragment