Fragment

Ulrike herstelde langzaam maar zeker. Wel was zij verward. Van het ongeluk wist zij niets meer, elke keer als Wolfgang op bezoek kwam vroeg zij waarom zij in het ziekenhuis lag. De eerste paar keer had Wolfgang verteld wat er was gebeurd, maar toen hij merkte dat zijn antwoord niet beklijfde, beperkte hij zich tot: ‘Dat is goed voor je.’
Wolfgang zat aan Ulrikes bed. Zij was bij en praatte met hem, maar voor een echt gesprek ontbrak de samenhang. Het gaf niet, Wolfgang was allang blij dat zij er weer was. Het was een kwestie van tijd dat zij naar huis mocht, haar genezing verliep volgens schema, had dokter Wohlfahrt hem gisteren nog verteld.
‘Weet mama dat ik hier ben?’
Heikes vermoeden bleek juist: Ulrike was sinds het ongeluk verder weggezakt in het dementiemoeras. Het was ruim zes weken geleden, normaal gesproken merkte hij in een dergelijke korte tijdspanne geen verschil aan haar. Ulrikes geheugen brokkelde heel langzaam af, je kon pas na langere tijd vaststellen dat zij achteruitgegaan was. Vorig jaar wist zij nog waar de kerstspullen lagen, had Wolfgang bijvoorbeeld afgelopen kerst gedacht. Maar nu leken er in een paar weken tijd extra gaten in haar geheugen te zijn geslagen. Of kwam het doordat zij een paar weken was weggeweest? Een paar weken lang was hij verlost geweest van al haar vragen; waar ligt dit? Waar ligt dat? Hoe laat is het, welke dag is het vandaag? Haar telkens corrigeren, sturen, aanmoedigen, afremmen – het kostte hem veel energie. Hoe rustig het was geweest zonder het blok aan zijn zere been, merkte hij nu pas, aan haar bed, nadat zij had gevraagd of haar moeder wist dat zij hier was. Wat moest hij zeggen, moeder Mertesacker was al zestien jaar dood. Vraag eens naar jullie eerste ontmoeting, had Heike gezegd, u zult zien dat zij nog genoeg herinneringen heeft.