Als kind gingen wij geregeld naar de kerk, wij waren tenslotte katholiek. Later, in de puberteit, bleef het kerkbezoek beperkt tot de hoogtijdagen – de ontkerkelijking is ook aan ons niet voorbijgegaan.
Op kerstavond bezochten wij altijd de avondmis, waarna wij thuis een broodmaaltijd nuttigden. Kerstbrood, moscovische tulband, duivenkater, een pasteitje met ragout, hagelslag in een schaaltje met lepel, in plaats van uit het pak. Moeder had ‘mooi gedekt’, dat wil zeggen met een fijn, geweven tafelkleed waar rode linten in ruitvorm over waren getrokken, het zondagse serviesgoed en zilveren couverts. Zelfs de thee dronken we uit een kopje-met-schotel en niet uit de doordeweekse glazen. Het was elk jaar hetzelfde, een familietraditie zogezegd, waar pas een einde aan kwam toen wij op onszelf gingen wonen.
Een mooie tijd, die nooit meer terugkomt, maar er tóch was. En die zich met een zoet, melancholisch gevoel laat herinneren.