Godsvrucht

Op een verjaardag sprak ik een man, bijna tachtig, die ’s middags in de weer was geweest voor de protestantse vereniging. De man is altijd werkzaam geweest als accountant en stelt tegenwoordig zijn cijferkennis ter beschikking van God. Dat wil zeggen de kerk, maar indirect staat alles in dienst van de Grote Meester. Met zijn goede werken liep hij niet te koop, de man was van het signatuur dat zichzelf het liefst wegcijfert – accountant tenslotte.
Op zeker moment vroeg hij om een glas water; hij voelde zich onwel. Hij was gaan zitten en zag plots asgrauw; de verjaardag kreeg het nu in de gaten, vanaf dat moment was iedereen in rep en roer. En terwijl er om hem heen gebeld, geredderd en door elkaar heen gecommandeerd werd, hoorde ik hem mompelen: ‘Godverdomme.’
Nadat de ambulancebroeders hadden vastgesteld dat er waarschijnlijk sprake was geweest van een appelflauwte, voelde de man zich wat beter; de verjaardag haalde opgelucht adem.
Onderweg naar huis vroeg ik mij af: zou hij hebben gevloekt omdat hij zich, nu hij dacht dat het misging terwijl hij nog volop voor Hem in de weer was, in de steek gelaten hebben gevoeld? Of sterven we allemaal, gelovigen en ongelovigen, als atheïst?