Fragment

‘Zijn jullie bereid onze broeders achter het IJzeren Gordijn te helpen?’
Titus en Betty keken verbaasd naar François Pater, de koster van hun kerk. Titus had dat altijd een vreemde naam gevonden voor een koster, zoiets als slager Bakker. Zou er ook een pater zijn die Koster heet?
Pater was in het dagelijkse leven melkboer. Een gedrongen man met een rond, blozend gezicht. Zondags in de kerk, wanneer hij als koster dienst had, droeg hij een pak. Maar uittekenen kon je hem in zijn blauwe stofjas die hij als melkboer droeg, met voor zijn buik een hard leren buideltasje dat rammelde van het kleingeld. Zijn vingers waren dik als worst, hoe hij daar destijds zijn trouwring om had gekregen, was een raadsel. Naast een graag gezien lid van de gemeente was koster Pater een trouwe medewerker. Nooit deed de kerk vergeefs een beroep op hem als er werk te doen was dat niet tot zijn taken behoorde. Naast het verbouwen van de consistoriekamer had hij onlangs de houten voorkant van het orgel geschilderd. De verflucht hing nog in de kerk, maar misschien was dat verbeelding en riep het nieuw geschilderde orgelfront de lucht alleen in gedachten bij hen op.
Die middag had Titus geholpen met het repareren van de trapopgang naar het katheder. Sommige treden kraakten zo vervaarlijk dat de kerkgangers telkens weer opgelucht ademhaalden als de dominee na afloop van de preek veilig op aarde was teruggekeerd.

Volgende fragment