Om de leeftijd van iemand te duiden beschikt ons taalgebruik over de ‘van voor’-aanduiding; ‘hij is van voor de oorlog’, pleegt men over iemand van 80 jaar oud te zeggen.
Wat wielrennen betreft ben ik ‘van voor de helm’. Twintig jaar geleden zag je een enkele renner rijden met een helm op het hoofd, die dan als een aansteller werd beschouwd. Rijd je nu zónder helm, dan ben je niet goed bij je hoofd. De helm heeft de omgekeerde weg van de sigaret afgelegd, als men het zo zeggen mag.
Tijdens het rijden voelde het van meet af aan vertrouwd, ik voel hem zelfs helemaal niet, maar in de spiegeling van een etalageruit ziet het er nog steeds koddig uit: met de komst van de helm sterft de etalagerenner langzaam uit.