Leef ik in de verkeerde tijd? Columns die ik lees in tijdschriften, serieuze kranten, op internet – het is allemaal zo leuk bedoeld. Jan pak de leuning. Soms verpakt in ironie, maar meestal is de toets er een van kijk-mij-eens-geestig-zijn. Is er geen plaats meer voor ernst? Of regeert ook hier het marktdenken: wij bieden wat u vraagt? De massa wil hapklare brokken; het grote publiek vreet als honden.
Ernst, het wordt niet meer verkocht. Behalve door mij. Ik verhoud mij tot de rest als een parlevinker tot Albert Heijn.
Aforisme
Een goede foto vertelt een verhaal, zegt men. Een fotograaf doet dus het omgekeerde van wat een schrijver doet: een verhaal vangen in een beeld. In beide gevallen, ook omgekeerd evenredig aan elkaar, wordt iets gevraagd van de consument, namelijk het talent om een beeld te vertalen naar een verhaal, of omgekeerd.
Een goede foto vertelt geen verhaal, maar is in net zoveel verhalen om te zetten als er kijkers zijn – zoals een goed verhaal in net zoveel beelden is te transformeren als er lezers zijn.
Reizen
Binnenkort reis ik voor een paar dagen af naar de plaats waar mijn volgende boek zich deels afspeelt. Een bijna magische ervaring, alsof je je eigen verhaal binnengaat. Het is een spel met de tijd: hier speelt zich af, wat zich heeft afgespeeld. Het is al gebeurd, het moet alleen nog worden geschreven. Dat is voor niet-schrijvers vermoedelijk abracadabra; zij begrijpen niet dat het beeld al in de steen aanwezig is, nog voordat de beeldhouwer hamer en beitel heeft beroerd.
De schrijver alleen weet hoe het zit – het is de kloof die gaapt tussen het tijdelijke en het ruimtelijke. Zodra je de plaats hebt bezocht waar het verhaal zich afspeelt, kan het niet anders zijn dan zoals je het beschrijft. Schrijvers die menen dat zij een bezoek achterwege kunnen laten, zijn actief in een ander genre: zij schrijven sprookjes.
Lilliputter
Een wijdverbreid misverstand is dat schrijvers taalkundigen zijn. Ik heb ooit eens meegedaan aan een spel, waarbij ik het woord lilliputter moest spellen. Ik spelde het met één l na de eerst i, wat mij op hoongelach kwam te staan. (Eerlijk: ik moest bij de tweede zin van deze post het woord opnieuw opzoeken.)
Schrijvers zijn geen neerlandici. Je moet beschikken over taalgevoel, wat iets anders is dan taalkennis. Verder is fantasie onontbeerlijk en kan een beetje algemene kennis ook geen kwaad. Voor een schrijver is het dus beter om te weten dat het woord lilliputter uit Gulliver’s Travels van Jonathan Swift komt, die het muntte als naam van een dwergvolk. Te weten hoe je het schrijft is mooi meegenomen.
Over schrijvers
Schrijvers zijn ijdeltuiten, allemaal. Met schrijvers bedoel ik naast de beroepsschrijvers de kunstminnenden, de zwoegers en ploeteraars, zij die door het stof moeten, keer op keer worden afgewezen, maar het niet op zich laten zitten; de zichzelf afbeulenden – en voor wat? Een aalmoes, meneer. De letterslaven, de onrendabelen, de eeuwige twijfelaars, de vernederden, – die bedoel ik. Niet de hobbyisten, dat zijn verhaaltjesvertellers. Zij zijn niet ijdel, de opbrengst van hun inspanningen is vergelijkbaar met een zelfgebreide trui.
Gebrek aan ijdelheid is een gebrek aan talent.