Uitgeverij Boom heeft Novum organum, het beroemde boek van Francis Bacon, heruitgegeven. Het gaat mij hier niet om het boek – dat moet u zelf maar lezen; het is mij te doen om Bacons veronderstelde levenseinde. Hij zou aan een longontsteking zijn overleden, opgelopen toen hij experimenteerde met vlees in de vrieskou teneinde de houdbaarheid te onderzoeken. In het nawoord van de hernieuwde uitgave betwijfelen de wetenschapsfilosofen De Regt en Dooremalen deze versie: door kou krijg je geen longontsteking.
Hier gaat iets mis. Hun bewering klopt, er is geen direct verband, maar misschien wel indirect. De kou is niet de oorzaak van de longontsteking, maar de aanleiding: het is de omstandigheid die aan de oorzaak voorafgaat. Zoals iemand die goed uitgerust is niet ziek wordt van een griepvirus en een vermoeid persoon wel, ceteris paribus. Toch zal niemand beweren dat je van gebrek aan slaap griep krijgt.
Dat Bacon mogelijk aan iets heel anders is gestorven, is een ander verhaal.
Categorie archieven: Algemeen
Ruimte en tijd
Uit de Volkskrant van vandaag: mogelijk staan we aan de vooravond van de onthulling dat zwaartekrachtgolven zijn waargenomen. Iets meer dan een eeuw na Einstein, die in zijn relativiteitstheorie al een voorschot nam op het bestaan van deze gravitatiegolven. Dat Einstein dit voorzag en het vervolgens honderd jaar duurt voordat zijn theorie bewezen wordt, bewijst zijn onvoorstelbare intelligentie; het gaat niet alleen om het ontwerpen van een idee, je moet dat ook nog eens theoretisch sluitend maken.
Tijd is een merkwaardig fenomeen. Het heden bestaat niet, er is alleen verleden – de toekomst is een verwachting. Alles wat je om je heen ziet, heeft een fractie van een seconde nodig om je ooglens en je hersens te bereiken: het is altijd verleden tijd. Net zo goed als wij de zon zien, terwijl de lichtstralen die de aarde bereiken zeven minuten eerder zijn uitgezonden; je zult nooit zeker weten of de zon nog bestaat, een angstaanjagende gedachte. Hic et nunc, laat je niets wijsmaken, bestaat niet.
Aforisme
Schrijven is achteruit, op je knieën, een houten vloer schilderen. Je moet ervoor zorgen dat je bij de deur uitkomt.
Werkt de schrijver tot aan de deur en blijkt dat die naar binnen toe opendraait? Gebrek aan talent. Hij moet wachten tot de verf droog is en daarna de klus afmaken. Voor het oog is er niets aan de hand, maar het strijklicht zal hem genadeloos verraden.
Over schrijven
Harry Mulisch schreef ooit: ‘ – na de laatste zin was ik iemand anders dan toen ik aan de eerste zin begon. En niet ik kies een thema, het thema kiest mij. Ik heb geen andere keuze dan juist deze boeken zo te schrijven.’
Voor velen klinkt dit vermoedelijk pathetisch, misschien aanstellerig, maar voor mij als schrijver is inmiddels duidelijk wat hij ermee bedoelt. Het thema komt niet uit de lucht vallen, het dient zich aan; het is er, en met het verhaal laat het zich gelden. Als een virus: niemand wil zich laten infecteren door een virus, het virus kiest jou uit. Ziek word je, als je vatbaar bent; bij een schrijver is dat na de voltooiing van het laatste boek.
Het schrijfproces is niets anders dan graven in jezelf. Elk boek is autobiografisch; niet in het uiterlijk of in de sociale positie van de hoofdpersonage, hooguit gedeeltelijk. Het zit hem meer in zijn handelen, zijn verhouding tot het verhaal. Dat is wie ik word. Pas als mijn oeuvre voltooid is, zal ik weten wie ik ben.
Brief
Onlangs kreeg ik van iemand met wie ik heb samengewerkt een kopie van een brief, gedateerd 10 mei 1945. Een bijzondere datum: een paar dagen na het einde van de oorlog en op de dag af vijf jaar na het begin van de oorlog, in Nederland.
De inhoud was nog opmerkelijker: de auteur was een joodse man die mede namens zijn echtgenote het gezin wilde bedanken waar zij tijdelijk in onderduik hadden gezeten, als je het zo zeggen mag. Het joodse echtpaar was, zo valt in een mooi, regelmatig handschrift te lezen, zielsgelukkig dat het weer in vrijheid leefde. Dat was onder anderen te danken aan de geadresseerden, die zij uitputtend bedankten. De man schrijft dat hij hen binnenkort een geschenk toestuurt, en dat zij te allen tijde een beroep op hen kunnen doen.
Zo vlak na de oorlog, vermoedelijk berooid, bestolen, hun huis misschien wel gepulst, toch op zoek naar een tegenprestatie, in de wetenschap dat zij voor eeuwig in het krijt staan – ik vind dat zeldzaam ontroerend. Geredde zielen uit een tijd van ongehoorde moord en slachting, ik was er niet eerder zo dicht bij.